Skip to main content
Bart Van Craeynest
  • 03/05/2019

Welk feest van de arbeid?

1 mei deze week, dag van de arbeid dus. Dat was een mooie kans om een van de absolute prioriteiten van de volgende regeringen, ongeacht hun samenstelling, extra in de verf te zetten. Ondanks alle stoere uitspraken over ‘jobs, jobs, jobs’ of zelfs over ‘volledige tewerkstelling’ zijn er in België nog altijd veel te weinig mensen aan het werk.

Eind 2018 werkte 70,5% van alle 20- tot 64-jarigen in België. In de kern van Europa zijn enkel in Spanje, Italië en Griekenland nog minder mensen aan het werk. In landen als Zweden, Zwitserland, Duitsland en Nederland is 80% of meer van de 20- tot 64-jarigen aan het werk. In België zijn er op dat vlak de belangrijke en welgekende regionale verschillen: in 2018 werkte in Vlaanderen 74,6% van de 20- tot 64-jarigen, in Wallonië 63,1% en in Brussel amper 60,9%. Wallonië en Brussel bengelen daarmee helemaal achteraan het Europese peloton. In vergelijking met andere Europese regio’s zit Vlaanderen in de middenmoot. In de Europese topregio’s klimt de werkgelegenheidsgraad naar 85%. Ook in Vlaanderen kan de lat dus wel nog wat hoger. 

Meer mensen aan het werk is met ruime voorsprong de beste manier om onze welvaartsstaat op termijn te vrijwaren, om onze overheidsfinanciën op orde te krijgen en om de armoede terug te dringen. En er zijn veel voorbeelden in het buitenland over hoe dat kan. In die zin was de parade van 1 mei-voorstellen een serieuze ontgoocheling. De belangrijkste voorstellen die gelanceerd werden (en die volgens bepaalde partijen zelfs breekpunten zijn), waren: een forse verhoging van het minimumloon, hogere pensioenen en het terugdraaien van de geplande verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd (naar 67 jaar vanaf 2030). Het is onduidelijk hoe dat soort ingrepen meer mensen aan het werk zal krijgen. Integendeel, een fors hoger minimumloon zal de toetreding van kwetsbare groepen tot de arbeidsmarkt (sowieso al een structurele zwakte in ons model) nog moeilijker maken. En het schrappen van de hogere pensioenleeftijd geeft toch vooral het signaal dat het met dat langer werken toch niet zo ernstig is. De belangrijkste 1 mei-voorstellen werken dus eerder in de verkeerde richting.

Er is niet één mirakeloplossing om meer mensen aan het werk te krijgen. Anderzijds ligt de enige reden waarom er in België relatief weinig mensen aan het werk zijn in onze eigen beleidskeuzes. Er is geen ‘natuurlijk’ of fysieke reden waarom mensen in België minder kunnen werken dan in pakweg Nederland of Zweden. Maar die beleidskeuzes kunnen we wel bijsturen. Meer mensen aan het werk moet via een uitgebreide reeks van maatregelen. De klemtoon moet daarbij liggen op een groter financieel verschil tussen werken en niet werken, opleiding en levenslang leren, een mentaliteit dat iedereen die kan bijdragen ook effectief moet bijdragen en meer flexibiliteit zowel voor werknemers als werkgevers. Dat vereist hervormingen van de belastingen op arbeid, van het uitkeringsstelsel, uitgebreidere mogelijkheden van kinderopvang, meer investeringen in levenslang leren, een centrale arbeidsmarktregisseur die zich richt op het activeren van alle groepen van inactieven, … Maar dat soort voorstellen kwamen in de 1 mei-toespraken amper aan bod. 

Contactpersoon

Bart Van Craeynest - Hoofdeconoom Voka

ING
SD Worx